Spaanse Grammatica in Praktijk

Spaanse grammatica leren begrijpen vanuit praktisch oogpunt met verschillende tips en geheugensteuntjes. Met fotos van Latijns America

Zijn..... Ser, Estar of Hay gebruiken

Een andere moeilijkheid voor Nederlanders is het vertalen van "zijn". Er zijn drie Spaanse werkwoorden die je kunt gebruiken:
  • estar,
  • ser, en
  • hay.

In principe is het niet heel moeilijk.  We leggen hieronder de belangrijkste regels uit en ook met wat voor woorden je het zou kunnen vervangen om te kijken welk Spaans werkwoord je moet gebruiken:


Het Andes Gebergte op grens van Chile en Argentinië
Het Andes Gebergte op grens van Chile en Argentinië

1. Er is/er zijn - Hay

Als je "er is" of "er zijn" gebruikt in het Nederlands, dan vertaal je het als "hay" (tegenwoordig tijd) of "había" (verleden tijd). De zin heeft typisch geen specifiek onderwerp en men gebruikt in het Nederlands normaal gesproken het woord "er":
  • Er zijn koeien in de wei       > Hay vacas en el campo. 
  • Er waren geen scholen hier > No había escuelas aquí.

Spaans Zijn


2. Zijn - Estar

Voor het gebruik van "Estar" zijn er drie regels:

A. Het eerste geval om "estar" te gebruiken is als je het kunt vervangen met "zich bevinden":
  • De school is (bevindt zich) in de stad  > La escuela está en la ciudad.

B. Het andere geval is als het om een tijdelijke toestand of tijdelijke staat gaat. Als je aan de zin "tijdelijk" kunt toevoegen, dan gebruik je "estar":
  • Hij/zij is (tijdelijk) blij vandaag  >  Está feliz hoy.
  • De deur is (tijdelijk) open          > La puerta está abierta. 

C. Daarnaast wordt "estar" ook gebruikt als werkwoord bij een gerundio (bijvoorbeeld haciendo) en vertaalt zich in het Nederlands "is aan het + werkwoord":
  • Hij/zij is  dit aan het doen  > Está haciendo esto.

Er zijn een aantal andere gevallen, maar die komen eigenlijk op hetzelfde terug als hierboven. 


3. Zijn - Ser

Het gebruik van "ser" heeft ook haar aparte gevallen:

A. Als je een relatie of verband wilt laten zien met familie, beroep, of afkomst van een persoon of een object. je kunt hier als hulp gebruiken dat als je "qua relatie", "qua beroep" of "qua afkomst" in de zin kunt zetten, dan gebruik je "ser":
  • Hij/zij is de tante van Juan (qua relatie)  > Es la tía de Juan
  • Zij is Argentijnse (qua afkomst)              > Es Argentina
  • Zij is dokter (qua beroep)                        > Es doctora
  • De tafel is van hout (qua afkomst)          > La mesa es de madera

B. Als je een karakter of eigenschap wilt beschrijven, iets dat altijd zo is, dan gebruik je ook "ser". Als je "altijd" in de zin kunt zetten, dan moet je het meest waarschijnlijkst "ser" gebruiken. Dit is dus het tegenovergestelde van het gebruik van "estar" wat een tijdelijke toestand aangeeft. Hier gaat hier om een permanente, blijvende toestand: 
  • Hij/zij is een (altijd) goed persoon  > Él es bueno
  • Juan is (altijd) saai                          > Juan es aburrido
  • De deur is (altijd) blauw                 > La puerta es azul 

C. Als het om een vergadering of evenement gaat, dan gebruik je ook "ser". Als je "zijn" kunt vervangen met "plaatsvinden", dan heb je deze vorm en moet je "ser" gebruiken:  
  • Het concert is in Lima  >  El concierto es en Lima



D. Om de tijd of prijs aan te duiden:
  • Het is zeven uur     >  Son las siete
  • De prijs is 5 pesos  >  El precio es 5 pesos

E. Ser wordt ook gebruikt om de passieve stijl aan te duiden en gaat gepaard met een participio. In het Nederlands gebruiken we "zijn + voltooid deelwoord":
  • De tafel was gemaakt door haar  >  La mesa fue hecha por ella.



Met bovenstaande kunnen "estar" en "ser" dus een verschillende betekenis geven met dezelfde woorden, bijvoorbeeld:
  • Está rico  > Hij/zij is rijk (tijdelijke toestand)
  • Es rico     > Het is lekker (karakteristiek)


  • Está claro  > Het is duidelijk (tijdelijke toestand) 
  • Es claro     > Het is licht qua kleur (karakteristiek)

  • Está despierto  > Hij/zij is wakker (tijdelijke toestand)
  • Es despierto     > Hij/zij is snel in zijn/haar gedachten (karakteristiek)

  • Juan está eligiendo > Juan is aan het kiezen (is aan het)
  • Juan es elegido        > Juan is gekozen  (passieve stijl)



Dat zijn de belangrijkste regels die je in de praktijk tegenkomt. Voor de verbuiging van ser en estar kun je op de volgende post klikken:

2 opmerkingen:

Amrieth zei

Er waren geen scholen hier. No había escualas aquí ipv escualas escuelas

MW zei

Dank je wel, heb het verbeterd!